Verdriet in stukjes

Oma,

Dit weekend aten we zelfgemaakte américain préparé met frieten en mayonaise. Neen, mama’s mayonaise is nog steeds de jouwe niet (maar het was ook lekker). Het tovert een glimlach op mijn lippen, een mooie herinnering, die prachtoma die je was.

Ik dacht dat het wel zou wennen, dat je er niet meer bent. Dat dat is wat het betekent om er niet meer te zijn: een gemis, een leegte, herinneringen, en verder niets.

Wat een misvatting: ik dacht dat ik ontroostbaar zou huilen wanneer jij er niet meer was. Dat ik al mijn tranen om jou in één keer zou uitstorten.

Dat ik je vervolgens zou missen, en wennen aan dat gevoel. En verder niets.

Toen het moment eindelijk – het zat er al even aan te komen – daar was, wachtte ik verbaasd op een grote tranenvloed. Maar die bleef uit. Verbaasd wachtte ik op het moment dat het doordrong – echt doordrong – dat ik je nooit meer zou zien. Dan zouden de tranen wel komen, dacht ik. Maar ook dat bleef uit.

Oma & kleine Saar

Oma & kleine Saar

We zijn bijna twee jaar verder. (Mijn) verdriet komt in stukjes, weet ik nu.

De meeste dagen heb ik niet het gevoel dat je er niet meer bent. De meeste dagen weet ik mij geborgen in jouw liefde. Dat idee is geruststellend. Misschien is dat wat mensen bedoelen, wanneer ze zeggen dat je nooit echt afscheid neemt. Dat zolang je aan iemand denkt, die persoon verderleeft.

Soms, in een moment van helderheid, zo je wil, dringt het door. Dat als de telefoon overgaat, jij niet vraagt hoe het gaat. Dat als ik opa thuis ga afzetten, jij niet gewoon in je stoel zit. Dat – buiten in onze herinnering – je er gewoon niet meer bent. Eindigheid. Dan stokt mijn adem en vecht een snik zich naar buiten. Koude handen rond mijn hart. “Nooit meer,” blijft langer dan een eeuwigheid.

Ik mis je soms zo vreselijk dat ik ervan moet huilen.

Wat een geluk dat jij, ondanks alles, mijn oma blijft.

Dikke zoen,
Je beste kind

Advertenties

Oma

Liefste oma, zo wil ik me je niet herinneren: klein, frêle, verzwakt in je ziekenhuisbed.

Liever denk ik aan toen ik als kleuter in het midden van het jaar mee mocht met jou en opa naar Arcore, op bezoek bij de De Deckers. Of toen Line en ik elke woensdagmiddag van school naar jullie kwamen en jij ons trakteerde op frieten met zelfgemaakte américain preparé en mayonaise – er zal nooit een mayonaise zijn die aan de jouwe kan tippen. Of spaghetti bolognaise die te pikant was voor mijn kleine kindermond en het slokje bier dat we altijd uit jouw flesje Stella kregen. Hoe traag ik at en opa die altijd “eeuwige kneveloare” tegen me zei (dat ben ik nog altijd). Hoe je ook zo vaak een dessertje voorzag: een flan caramel of een crème vanille, met rozijntjes of met gouden saus. Samen met opa smulden we daar onze buik van rond! Hoe we daarna met de afwas hielpen en jij ons leerde hoe we het bestek moesten opblinken, waarna je steevast “Zo zie ik u werken!” uitriep ter goedkeuring. Hoe Line en ik, tot mama ons kwam halen, naar het Disney Festival op tv mochten kijken en hoe we dan allemaal samen nog snel een boterham aten voor mama ons mee naar huis nam.

Liever denk ik aan alle uren die ik samen met mijn neven en nichten in jouw en opa’s gezelschap mocht vertoeven. Hoe jullie ons meenamen naar Disneyland Parijs en we samen naar de nieuwste Disneyfilm gingen kijken in de cinema. Hoe jullie voor je kleinkinderen telkens voor een schitterende Sinterklaas en Pasen zorgden.  Hoe je de lakens uitdeelde tijdens de familiefeesten en dat al eens voor wrevel zorgde – want in onze familie denken we allemaal een beetje dat we het beter weten. 😉

Liever denk ik aan hoe je ons altijd in de watten legde. Hoe je voor mij altijd mayonaise bent blijven maken, omdat je wist dat ik er zo van kon smullen, zelfs al was het maar bij een boterham. Hoe je er op stond me met Palmzondag toch een palmtakje te geven voor mijn goed geluk, ook al heb ik het geloof al lang opgegeven. Hoe je ogen zich met trots vulden met nieuwjaar, wanneer al je kleinkinderen jullie hun beste wensen voordragen. Hoe je ons trots vertelde: “Ge staat schoon vandaag!” en “Gij zijt toch zo’n schoon kind!”

Liefste oma, je ben zelf zo’n schone vrouw, van binnen en van buiten. Dàt is hoe ik me je wil herinneren: hoe je er altijd mooi en verzorgd uitzag, en hoe vooral geen moeite jou teveel was om voor je (klein)kinderen te zorgen. Hoe graag je wou dat ook wij het geluk vonden. Hoe hard je hebt gevochten tot het einde.

Liefste oma, die sterke, mooie en lieve vrouw die je altijd voor mij – en al je andere kleinkinderen – bent geweest: dat is ook hoe we ons je zullen herinneren. Altijd.

Het is nog niet helemaal doorgedrongen. Dat je niet gewoon thuis bent. Dat volgende keer als de telefoon overgaat, jij het niet bent. Dat we je nooit meer zien. Dat je er niet meer bent.

Ik snak naar adem en een snik vecht zich een weg naar buiten. Ik ben blij dat jij mijn oma was. Dat ik je zolang bij me heb kunnen hebben. Dat je geen pijn meer moet afzien, ook. Maar  “nooit meer” is langer dan een eeuwigheid.

Oma & kleine Saar

Oma & kleine Saar

Kinderlijke vrolijkheid

Ze verschijnt aan de deur, aan de hand van haar mama. Glimlach bijna permanent op haar lippen, zeker als ze je net in de gaten krijgt, een blijk van herkenning – tenzij ze net wakker is. Dat is haar favoriete moment niet, namelijk. Dan hangt ze aan moeders rokken of vaders broek. Uberschattig vleit ze zich tegen hen aan terwijl ze weer tot de wereld komt. Een minuut of tien later ontpopt ze zich alweer tot haar vrolijke zelf. Guitig trekt ze naar haar speelgoedmand, vist er een dierenboekje uit. “Koe,” roept ze dan enthousiast. En nog harder “MIAUW!” -ze hebben thuis twee katten. Ze troont door het hele huis twee knuffels mee -Walter, een draak, van haar en Mr. Panda (what’s in a name?), een oude knuffel van mezelf. Ze kijkt smekend naar wie het dichtste in de buurt staat. Een blik die zegt “Ik wil in de schommelstoel, maar ik ben klein en de stoel is groot. HELP.” Genietend wiegt ze heen en weer. Ze kijkt ondeugend in het rond om te zien of iemand op haar let -alsof ze weet dat wat ze wil doen, onder de noemer “kattekwaad” zal vallen. Lachend gooit ze Mr. Panda op de grond. Walter volgt. Ze schatert. Als ik ze haar weer geef, herhaalt het tafereel zich. Ze wil uit de schommelstoel en een hap van dat tomaatje, wel nu direct, alsjeblief. Als haar neus vol snot hangt en je hebt het niet gezien, dan komt ze vrolijk lachend op je af, geeft je een knuffel en veegt intussen haar neus aan je kleren af. Als je iets doet dat tegen haar zin is, begint ze zachtjes te krijsen en gaat ze troost zoeken bij iemand anders -en slaat haar armen rond je nek alsof ze je nooit nog zal loslaten. Daarna gaat ze weer verder spelen. Ze kookt in miniatuur kookpotten en laat je enthousiast proeven. Blijven logeren is geen moeite. Als ze ’s ochtends denkt dat je nog slaapt, houdt ze zichzelf rustig bezig met de knuffels in haar bed. Tot ze je door heeft – dan gaat ze enthousiast rechtop staan, lacht en slaat vrolijke gilletjes. Net zo lang als je erover doet om haar uit bed te vissen. Ze aanvaardt vrolijk koekjes en ze wil ook die chips die je hebt uitgehaald. Maar met een tomaatje, druif, olijf of kappertje is ze ook altijd gelukkig. Zet je muziek op, dan beweegt ze ongecontroleerd mee. Het lijkt sterker dan haarzelf, een soort natuurkracht, alsof haar lichaam in haar plaats beslist dat het moet swingen – het ziet er een beetje uit als headbangen, soms. Ze vist een Duplo-tijger van tussen haar speelgoed en komt hem enthousiast aan je tonen. Als je gromt, stormt ze vervolgens al grommend heel het huis door. Ze lacht als je met haar meespeelt. Als ze ziet dat je droevig bent, vraagt ze, “pijn?” en geeft je een aai. “Kom,” wenkt ze je en ze troont je mee door de tuin, een hele nieuwe wereld die ze wil ontdekken. Maar soms komt ze gewoon naar je toelopen en steekt haar armen naar je uit. Ze legt haar hoofd tegen je schouder en geeft je een schouderklopje. Ze ziet je graag, zo simpel als dat voor een kind kan zijn. “Meter,” zegt ze, en ze kijkt naar mij. Nodeloos te zeggen dat ik gloei van trots en helemaal smelt. Ode aan mijn metekind.

Mijn familie

Ergens tussen de Walen, Brussel en Antwerpen*, 30 december 2012

*(volgens die laatsten ergens op de parking dus)

Ergens in de Vlaanders, 1 januari 2013

WAARSCHUWING

De spreekwoordelijke dichterlijke vrijheid is mij niet altijd even vreemd. Vergeet de korrel zout dus niet.

Ik heb een grote familie. Heel erg fijn. Ik heb een opa en een oma, die als pater en mater familias over mijn familie regeren. Natuurlijk ook een mama en een papa. Daarnaast heb ik ook nog een heleboel tantes en nonkels. En nog meer hopen neven en nichten en zelfs een zus en een sympathieke schoonbroer die samen ook nog eens voor een nichtje zorgden (lees: mijn metekind aka latest star of the family). Je ziet: een hoop om over te schrijven. Maar ook nogal verwarrend. Laat ik vandaag een poging willen ondernemen om wat klaarheid in dat nest van mij te scheppen.

Om te beginnen zijn er mijn oma en opa. Beginnen -relatief gezien welteverstaan, mijn oma en opa zijn natuurlijk geen Adam en Eva die de wereld moeten bevolken. Maar goed, een mens moet ergens beginnen en we zijn al met zoveel. Trouwens, wie een heuse stamboom van de familie Vermeire wil, kan bij opa R. vast en zeker De Familie -het boek raadplegen. Maar goed, voor we teveel afwijken van de orde van de dag: terug naar onze tak van de boom dus. Opa R. en oma P. werden beiden geboren in de twintiger jaren en staan volgens de wetten der “wijsheid komt met de jaren” aan het hoofd van mijn familie. Het duurde natuurlijk enkele decennia voor hun paden kruisten, maar dat is een ander verhaal. Enfin, aan het hoofd dus. Vroeger was dat nogal letterlijk te nemen: aan het hoofd van de tafel nam mijn opa als een echte godfather plaats. In hun nieuwe  appartement (ook nogal relatief -ze wonen er ondertussen een tiental jaar) nemen mijn oma en opa altijd naast elkaar plaats. Mijn oma is namelijk niet zomaar de vrouw van de godfather, nee, ze staat met ijzeren hand naast mijn opa. Wie weet is zij eigenlijk wel de baas als het erop aankomt? Soit, ze is dus zeker evenwaardig aan onze godfather. Met nieuwjaar wordt dat allemaal heel duidelijk: mater en pater familias staan als hoofd van de familie in het middelpunt van de aandacht. Ik hoef het beeld zelfs niet te schetsen: oma en opa naast elkaar in een stoel, de kleinkinderen lezen om beurt hun briefje voor. En dat al zolang jullie je kunnen herinneren (ja, ik ook).

Maar voor ik te ver uitwijk over mijn oma en opa: ik heb ook nogal wat tantes en nonkels (en een mama en papa natuurlijk). Ik kan jullie wel even dit meegeven: sinds de vijftiger jaren heeft het nageslacht van mijn oma en opa nog maar één decennium overgeslagen. Wel ja, laat ik het voor het gemak uitdrukken in decennia. Mijn mama, haar twee (oudere) zussen en twee (jongere) broers (een goed deel van mijn tantes en nonkels dus, voor de goede verstaander) werden geboren in de loop van de vijftiger en zestiger jaren. In principe is het aantal ouders en tantes en nonkels dat ik heb verdubbelbaar: ja, ze zijn allemaal van ’t straat geraakt. En samen hebben ze mij een hele boel neefjes en nichtjes bezorgd. Dat mag u letterlijk nemen, want nadat mijn mama en papa voor mijn zus zorgden, moesten ze maar één enkel neefje laten voorgaan voor ik er kwam. En zelfs dat was een close call, want uiteindelijk verschilden J. en ik maar vier dagen. Met een beetje geluk had ik de wedstrijd gewonnen, maar het heeft niet mogen zijn. Dat doet er ook niet toe. Ik had het over mijn aantal ouders (twee dus) en nonkels en tantes (acht in het totaal en vier van elk). Éen van hen heeft zelfs een dubbele functie (voor mij dan toch): Peter P. U raadt het al, mijn peter. Het peter- en meterschap van mijn zus en de rest van mijn neefjes en nichtjes is netjes verdeeld over mijn oma en opa, mijn mama en haar zussen en broers.

Na al die dubbele tantes, nonkels en ouders komen dan natuurlijk de kleinkinderen -verspreid over 3 decennia. Het nageslacht sloeg de jaren ’70 over, maar sinds de jaren ’80 zijn we niet meer te stoppen. De eighties… Tijd van epauletten en gekke beenverwarmers, Madonna, de opkomst van pc’s met enorme monitoren en nog grotere computerdozen en daar vergeet ik nog de door mij zo geliefde Walkman van Sony (ver na de jaren tachtig door ondergetekende ontdekt als favoriete music-on-the-go-tool. Vervolgens sloeg ik de Discman en Minidisk over, om maar meteen over te schakelen op een nieuw soort Walkman: de mp3-speler -en op termijn op een heuse van Sony, welteverstaan, van enig merkensnobisme val ik wel te beschuldigen). Kwamen we uit de tachtiger jaren nog met vier (mijn zus, J., ik en P.1), dan waren de nineties zeker dubbel zo vruchtbaar. Opeenvolgend verschenen daar tussen de bouwvakkershemden, de dotcombel, Toy Story en de Spice Girls: M.1, P.2, S., K., M.2, A.1, T. en ten slotte A.2, N. en M.3. Zelfs de noughties gingen niet kinderloos voorbij. De wereld overleefde schijnbaar probleemloos het Y2K en wat later kwam L.1 de talrijke reeks kleinkinderen (wel vijftien!) afsluiten. De wereld maakte in dit decennium pas echt kennis met de eerder vernoemde mp3-spelers, reality tv als Big Brother en nog zoveel meer, maar dat maakt hier eigenlijk niet zo gek veel uit. Kan ook nog opgemerkt worden: eigenlijk zijn mijn zus, P.1 en L.1 een beetje uitzonderingen. Want de rest van ons komt zowat in paren. J. en ik volgden het dichtst op elkaar, vier dagen. M.1 en P.2 verschillen technisch wel een jaar, maar werden toch nog geboren in het zelfde kalenderjaar. S. en K. zagen het levenslicht in dezelfde tweede helft van een jaar en voor het gemak zal ik daar M.2, juli van het daaropvolgende jaar, nog maar bijrekenen. Twee handen op één buik ook, K. en M.2. A.1 en T. verschillen een maand en A.2, N. en M.3 sloten met hun drietjes de nineties kids af.

En toen was het de beurt aan de achterkleinkinderen. Voorlopig zorgden alleen mijn zus en sympathieke schoonbroer voor een nakomeling, maar onze L.2 is toch dé ster van het afgelopen jaar. Een waarheid als een koe, een stelling die waar is tot het tegendeel bewezen is, lees: tot het volgende achterkleinkind er komt. En dan nog: als supertrotse meter kan ik u bevestigen dat ons voorlopige kakkenestje altijd een sterretje zal blijven, al was het maar in mijn hart.

Soit, dat alles om u een gelukkig nieuwjaar te wensen. En een goede gezondheid en voorspoed en al die shizzle die mensen elkaar traditioneel toewensen bij de start van het nieuwe jaar. En van traditie gesproken, bij deze vervul ik mijn jaarlijkse plicht tot het voordragen van een nieuwjaarsbrief aan die grote familie van mij, in het bijzonder aan mijn oma en opa, mijn mama en papa, mijn peter en vanaf nu ook mijn metekind. Maar eigenlijk ook aan al de rest: ik zie jullie graag, allemaal. 🙂

tot volgend jaar!

Bikinitalk

Mijn borsten zijn een beetje aan de kleine kant. Dat is niet zo erg, het heeft zo ook zijn voordelen. Ze stuiteren niet bijzonder als je gaat lopen, bijvoorbeeld. Ze zullen niet zo snel ergens uitfloepen, waardoor het risico op boobie exposure een pak lager ligt. Handig! Maar soms wil ik ze wel een beetje benadrukken. Hoe vul ik anders dat dazzling decolleté? Een beetje (extra) volume is dan mooi meegenomen. Met kleine borsten moet je af en toe een beetje aan optisch bedrog doen, namelijk.  Nu, met een goede push-up en een leuk shirt gaat dat redelijk makkelijk. Maar het kan ook anders. Als je een bikini aanwil, bijvoorbeeld. Zonder het juiste motiefje en de juiste hoeveelheid stof, geknipt op de juiste manier, lijken kleine borsten in een gewone bikini al vlug miniem, terwijl er toch wel degelijk wat hangt. Met die gedachte in het achterhoofd wilde ik al een tijdje de zomer tegemoet lopen met een push-up bikini -gezegend zij de uitvinder. Maar, zo’n ding koop je natuurlijk niet zomaar. Nee, het is een beetje de zoektocht naar de heilige graal. Je gaat op prospectie, past, zegt aan de verkoopster dat je “nog even wil nadenken”, zoekt verder, past nog meer, en nog meer. Ondertussen verlies je het mentale beeld van die mooi gevulde bikini waarmee je in de zomer het strand zal veroveren, nooit uit het oog. En dan, opeens, out of the blue, wanneer je je droom al bijna weer had opgeborgen, spot je hem: de perfecte bikini. In push-up model, uiteraard.  Na enkele seconden sprakeloosheid vindt de verkoopster dan toch de juiste maat  -“Oh, ik was even verward door het feit dat je oorbellen je beha matchen”. Eigenlijk matchen ze vooral mijn t-shirt, maar goed, ze heeft gelijk: beha (natuurlijk ook push-up), t-shirt en oorbellen delen dezelfde tint blauw. Maar om terug te keren naar die bikini: hij zit nog perfect ook! Bloedrood, een van mijn favoriete kleuren. Basic model, maar een klein detail -een strikje- maakt het helemaal (naast het push-up effect uiteraard). Mijn borsten zijn zowaar zichtbaar! Op zo’n moment vergeet je even je portefeuille -hoewel: 30 euro voor het bovenstuk en 15 voor een broekje erbij, het kan zoveel erger. Bovendien is het bijna mijn verjaardag, een kadootje voor mezelf mag er dan wel af. Helemaal opgetogen keer ik naar huis. Daar show ik mijn nieuwste aanwinst vol enthousiasme aan m’n zus (net bevallen en dus haar cupje moeten wisselen voor eentje meer). Zegt zij: “Oh, wat een kleine borsten heb jij!”. Gevolgd door een stilte. Of de relativiteit der dingen. Maar, besluit ze, “ik zou zo ruilen met de jouwe” -en ik stiekem met die van haar.

Albert en de wereldbol

Al jaar en dag kijkt hij mij aan, Albert. Elke keer ik het bureau binnenwandel, groet hij mij onbewegelijk. Al zo lang ik mij kan herinneren (en dat is lang). Vroeger, toen ik nog klein was, en ik in gezelschap van m’n zus het bureau binnenwandelde, ging ik op ontdekkingstocht tussen de schatten, groot en klein. Elke keer leken er weer andere dingen te staan in dat wondere bureau. Schilderijen hier, kleinoden daar, aan magie kwam het niets te kort. Onder het goedkeurend oog van Albert beelde ik me in welke geschiedenis dat ene gebruiksvoorwerp had. Het bureau werd een heel klein beetje een vaste stek, waar ik  terechtkon als ik na school nog niet naar huis wilde, als ik tijd te overbruggen had, als ik van de bibliotheek kwam en met mama naar huis zou gaan… En met de jaren leerde ik zelfs het hele gebouw kennen. Vroeger telde enkel het bureau, de rest was groots en saai en overladen. In werkelijkheid is er niets leuker dan je af te vragen wat de muren je kunnen vertellen over al die jaren dat ze er al staan. Ik zou niets liever doen dan door de gangen en kamers en bureaus dwalen, me afvragend wie er allemaal over diezelfde vloeren gelopen heeft, hoe ze leefden, wat ze dachten, welke scènes er zich hebben afgespeeld,… Later, toen m’n zus het huis uit zwierf en ik nog slechts alleen het bureau binnensloop, verdween ook een beetje de magie. Oh, er lagen nog steeds dingen te slingeren en ook Albert was nog altijd trouw op post, maar niets van dat alles kon de portretten van Koningin Astrid  of een oude, oude portefeuille door de ogen van een klein meisje overstijgen. Laatst is zelfs Albert verdwenen. Na al die jaren trouwe dienst in mijn mama’s bureau is hij is vervangen door een niet zo tot mijn verbeelding sprekend modern schilderij. Het is even wennen (net zoals de nieuwe kasten -maar die zijn wel massief en antiek). Gelukkig duikt er af en toe toch nog een verdwaald/rondslingerend/in transit*  stuk uit de collectie van mama’s big boss op. Dan vraag ik me nog steeds gefascineerd af wat dat ding allemaal al gezien heeft in zijn bestaan. Dat geldt ook voor de wereldbol  -zo’n oude, in glas met vergeeld papier rond en een lamp binnenin. Hij vergezelde Albert al net zo lang op de kast in de buurt. Net nog is hij hersteld: hij geeft weer licht! Belangrijk genoeg om de wereldbol eindelijk eens in het stopcontact te steken en de kaart van naderbij te bekijken. De wereldbol overtrof mijn stoutste verwachtingen en de magie van weleer had me al snel weer in de ban. En hoe! Een kaart uit vergeten jaren, een wereld die er helemaal anders uitzag. Geen België, geen USA, een heel ander Latijns-Amerika -al jaar en dag mijn droomreisbestemming. Ik droom weg bij de gedachte aan de geschiedenis van het ding. Tot mama me onderbreekt: nu hij hersteld is, zal hij snel een andere bestemming krijgen.  Zelfs in mama’s bureau, toch een vaste waarde, gaat de tijd voorbij.

*schrappen wat niet past.