De weg naar buiten

Wanneer bepaalde muziek zo kalmerend en een tikje verdovend werkt, alsof je ze inademt met elke ademhaling die je neemt, alsof je iedere noot absorbeert, alsof je thuis komt in de veilige, comfortable bel die ze je biedt, dan denk je dat je ze te lang hebt buitengesloten. Overvalt het jullie soms? Mij wel. Vooral wanneer het Alice in Chains betreft, de band van mijn leven. Bitterzoet. Ik voel me dan een beetje een junkie. Als ik kon tekenen, dan tekende ik het gevoel zo: iemand met headphones op, met zalige uitdrukking op het gezicht. Walkman in de hand, maar in plaats van naar de headphones te lopen, eindigt de kabel in een naald die in de arm steekt.

Ik realizeer me de dubbelzinnigheid van die situatie. Het voelt zalig, maar vergelijkingen met verslavingen voorspellen nooit veel goeds (en zijn misschien toch ook niet helemaal terecht). Toen ik iedereen wegduwde en niemand anders wou binnenlaten (een beetje zoals een junkie, naar ik aanneem – hoewel mijn probleem emotioneel van aard was), waren Alice in Chains mijn enige familie, mijn enige broers. Net als iemand die voor zijn verslaving kiest, was dat geen goede of gezonde keuze. Maar het was simpelweg de keuze die ik toen maakte. Uiteindelijk ben ik er heelhuids doorgekomen – ik heb het absolute geluk over vrienden en familie te beschikken die zich niet lieten of laten wegduwen. Hoewel ik nog steeds niet weet hoe ik er zou zijn doorgekomen zonder Alice in Chains – of beter: zonder muziek. Ik mag ze hier dan wel met een verslaving vergelijken – een duidelijkere ‘bad guy’ is er niet – de werkelijkheid is gecompliceerder dan dat. Ze waren de verslaving, het verdovende middel, maar niet het probleem. Ze waren een oplossing, een uitweg. Niet de beste, misschien zelfs stomweg een slechte, maar desondanks: een oplossing. Het zijden draadje waaraan je je uit alle macht vastgrijpt. Het laatste beetje valse hoop dat je in leven houdt. Dat klinkt allemaal misschien heel erg cliché, maar ik was ook de cliché tiener die vocht met donkere gedachten en een gevoel van onbegrepenheid. Het was bijna nooit licht in mijn hoofd (soms overvalt me dat nu nog) en de gedachte aan zelfmoord leek nooit veraf. Muziek zorgde er ten allen tijde voor dat zelfmoord de allerlaatste nooduitgang bleef, voor als werkelijk niets anders meer baten kon. Wanneer ik muziek beluisterde, overviel mij een gevoel van veiligheid. Morgen zou het beter gaan. Het was een soort van verdoving. Niet voor niets heb ik in mijn dagboeken vele malen naar ‘muziek beluisteren’ verwezen als ‘numbing the pain away’. Dat was wat ik wilde: helemaal niets meer voelen. Alles en iedereen moest wijken voor die allesverdovende roes – muziek – die hielp om niets te voelen. Tegelijkertijd weerhield die roes me er lange tijd van om drastischere en nog ongezondere dingen te doen – zoals krassen, bijvoorbeeld. Ik hoef daar geen tekeningetje bij te maken: gezond is anders.

Vele bands hebben die verdovende rol vertolkt, maar Alice in Chains is veruit de belangrijkste of meest blijvende geweest – waarom zij, daar heb ik geen antwoord op. Dat doet er ook niet toe: muzikale preferenties zijn vaker wel dan niet onverklaarbaar. Ze waren het zijden draadje, en het draadje heeft het niet begeven. Ze zijn mijn zwakke plek. Ze zijn de fakkel in (de herinnering aan) een donker bos waarin je compleet verloren bent gelopen, en dat is een pad waar ik niet altijd heen wil. En toch kan ik niet zonder. Een ongezonde, zelfs giftige substantie, tegelijkertijd zo zalig dat ik er niet van kan afblijven. Ja, dat betekent dat ik een dubbele relatie heb met de band waarvan ik beweer dat ze mijn meest favoriete groep ooit zijn. Maar niets is zwart of wit. Alles heeft verschillende kleurnuances, en zoals zo vaak is de gulden middenweg de beste. Af en toe Alice in Chains is niet giftig – maar teveel wel. Muziek is krachtig. Het kan de storm doen gaan liggen, je kalmeren, troosten en oppeppen. Maar als het een roes wordt, waar alles en iedereen voor moet wijken, is ook muziek bijlange niet zo positief meer. Het is een evenwichtsoefening. Ondanks alles was, is en blijft muziek het vangnet wanneer de lichtknop in mijn hoofd even zoek is. Het is alsof ik op de koorden van dat net niet zelden nog die evenwichtsoefening loop uit te voeren: zonder stok en op het dunste koord, lijkt wel. Wanneer het licht even uitgaat en ik mijn evenwicht verlies, stuitert het vangnet me in normale omstandigheden weer naar boven, waar ik jullie armen en handen vastgrijp en mezelf met jullie hulp op het droge trek. Maar af en toe val ik in het diepe, en raak ik verstrikt in mijn eigen vangnet. Het is dan dat muziek de roes, het verdovende middel wordt en dus deel van het probleem. Het is dan dat ik iedereen nog meer wegduw en erop moet vertrouwen dat jullie de muur die ik opbouw weer zullen slopen.

Ik heb de neiging om iedereen bij tijd en wijlen weg te duwen (nog) niet onder controle, dat weet ik. Wanneer het licht in mijn hoofd weer uit is en ik de weg niet meer vind in al die duisternis, dooft muziek nog steeds de pijn. Ik denk nog altijd dat ik nergens geraak zonder muziek, maar in werkelijkheid is muziek zonder vrienden en familie niet meer dan een verraderlijk net met te grote mazen waarin ik hopeloos verstrikt raak. De waarheid is: ik sta nergens zonder jullie. Lieve vrienden en familie, bij deze wil ik jullie bedanken om weerstand te bieden. Om de muur, zo nodig steen per steen, te blijven slopen, altijd opnieuw. Om jullie helpende handen te reiken wanneer ik dat misschien meer nodig heb dan ik zelf besef. Bedankt: om niet op te geven, om je niet zomaar te laten wegduwen wanneer ik niemand binnen laten wil. Geef me gerust een standje, zo af en toe.

Learning how to love me, pt. XXXVI

Learning how to love me, pt. XXXVI

Advertenties

Songbird pt. X

Mijn derde favoriete band ooit moest wel eens opduiken in deze Songbird reeks. Ik heb even getwijfeld over welk nummer: elk van hun albums heeft wel zo een song die ik duizend miljoen keer opnieuw kan opzetten. Oorspronkelijk was ik eigenlijk overtuigd dat het absoluut Back Down South ging worden.

Die vibe. Die snaren. Die stem. De sfeer die uit hun liedjes spreekt, heeft mij op de een of andere manier altijd meer aangesproken dan de teksten (op een paar uitzonderingen na). Maar toen dacht ik even na en ik kon gewoon niet ontsnappen aan Use Somebody.

Misschien een beetje een clichématige keuze wegens één van hun allergrootste hits en de thematiek enzo, maar, oh, wat hou ik van dat nummer.

You know that I could use somebody
Someone like you and all you know and how you speak

Na al die jaren ben ik het nog steeds niet beu gehoord (er zijn nummers die ik na honderd keer beu ben). Het was liefde op het eerste gezicht met Use Somebody. Heel even ben ik het (dan toch) een beetje beu geweest, maar eigenlijk fladderen er elke keer ik het hoor een heel klein beetje vlindertjes in mijn buik. Ik weet niet goed wat het is met dat nummer, misschien de sfeer, misschien omdat het na zoveel keer integraal deel uitmaakt van mezelf, misschien omdat het één van de eerste KoL nummers was die me overstag deden gaan, maar ik krijg er dus geen genoeg van. Ja, ik ben één van die fans. Dat wil niet zeggen dat ik KoL daarvoor niet kende – maar ze waren in het alternatieve circuit echt hip eerst, de alternatieve mainstream, en ik had in die tijd een hekel aan al wat naar hip en/of (alternatieve) mainstream rook (dik belachelijk want zo alternatief ben ik bij nader inzien eigenlijk nooit geweest, maar hoe gaat dat: puberjaren). Ten tijde van Use Somebody en al die andere monsterhits was ik al wat tot inkeer gekomen, dat wil zeggen, ik luister gewoon waar ik zin in heb en laat me niet meer zo dicteren door een label. En dus ging ook ik overstag en zag mijn fout in, want zo gaat dat bij mij. In het kort dus: Kings of Leon is één van de bands van mijn leven. Use Somebody is bijna bij uitstek mijn KoL nummer, al was het maar omdat zelfs mijn lieve vrienden het met mij associëren en mij spontaan bellen tijdens uitgerekend dat nummer als zij op de wei van Werchter staan en ik niet – met tranen tot gevolg, wat het nog meer míjn nummer maakt.

En de Learning how to love me, pt. XXXV past daar helemaal bij (niet zo’n geweldige foto, maar dat maakt geen snars uit). Recht uit Salamanca, die ene stad die à jamais met mij verbonden is, net zoals Use Somebody zo’n deel uitmaakt van mezelf.

Learning how to love me, pt. XXXV

Learning how to love me, pt. XXXV

Def Leppard

Het is weer zover. De gierende gitaren en lang, wild, zwierend mannenhaar. Ik heb zo mijn momenten. Altijd gehad, veronderstel ik – daarvoor verwijs ik graag naar mijn Bon Jovi fandom dat de kop opstak toen ik een jaar of 13 was. Wat later (nu ja, wat je later noemt: ik zat in het tweede of derde middelbaar en was om de één of andere reden in de ban van Metallica – Nothing Else Matters, naar ik aanneem) ondernam ik een tour d’horizon langs alle soorten hard rock en (voorlopers van) metal. Ik had een boek over Metallica waarin ik las over NWOBHM (voor de leken: New Wave Of British Heavy Metal) en meer van dat. Al die bands die daarin genoemd werden, een geheel onaangeboorde bron van nieuwe muziek! Dat kon ik niet aan mij voorbij laten gaan. Zo ben ik door een heel stuk van de voorraad Twisted Sister, Led Zeppelin, Def Leppard, Black Sabbath en consoorten van de bibliotheek gegaan – het internet was nog niet zo’n algeheel verspreid fenomeen, toen. Ik vond zelf een link met mijn papa, die mij wist te vertellen dat hij een aantal van die bands zelf luisterde in zijn wilde jaren. Vooraleer u een gat in de lucht springt in mijn plaats, vinyl-liefhebbende lezer, helaas: mijn papa had al zijn platen van dergelijk soort al weggegeven. En vooraleer zij die muziek graag in hokjes opdelen met hun ogen rollen: ik weet heus wel dat er een verschil is tussen pakweg Led Zeppelin en Bon Jovi. Dat hard rock en metal en glam metal bijlange niet hetzelfde zijn. Wat niet wegneemt dat ze ergens ook met elkaar verbonden zijn, hoe schandelijk u dat ook vinden mag. Zodoende: wanneer de gierende gitaren overheersen in mijn muzikale consumptie, staan zij allemaal broederlijk naast elkaar in mijn playlists. U mag dat heiligschennis noemen, wat mij betreft is het gewoon liefde voor muziek.

In ieder geval. Ik kwam indertijd na mijn tourtje uit waar ik begonnen was: grunge. Maar ergens is de liefde voor dat wilde haar en de gitaar nooit verdwenen, en al zeker niet wanneer de haren en de gitaren flirten met het theatrale. Mijn meer recentere opflakkeringen van dat vlammetje zijn een heel klein beetje de schuld van Supernatural. Beste begeleidende muziek ooit in een serie. De seizoensfinales beginnen steevast met Kansas, Creedence Clearwater Revival speelde al een belangrijke rol (en Bon Jovi ook!), Led Zeppelin is onlosmakelijk verbonden met één van de hoofdpersonages (zonder ooit een noot Led Zep te spelen… faut le faire!). Ah, de muziek die ik (her)ontdekt heb dankzij Supernatural… *droomt even weg* Wel ja, mijn algemene muzikale kennis wat bijgeschaaft, en waarom ook niet? 🙂 Meest recente herontdekking: Def Leppard.

Een awesome Supernatural moment, trouwens, die song (Youtube: Supernatural & Def Leppard en u vindt ‘m meteen). Meteen ook duidelijk de inspiratie voor de titel van die film, Rock of Ages, die ik om logische en overduidelijke redenen heel erg goed vind. Daar is ook een versie van volgende song van Def Leppard in te vinden (Tom Cruise als rockgod! Ik hou niet zo van Tom Cruise doorgaans, maar hij was wel overtuigend als rockdiva, ha!):

Zo weet u meteen wat voor soort muziek er dezer dagen uit de speakers van mijn auto knalt. En nu ter andere zake:

Learning how to love me, pt. XXXIV

Learning how to love me, pt. XXXIV

Songbird pt. IX

Omdat ik zoveel verloren tijd heb in te halen en ik ergens in een lade van mijn brein nog inspiratie had liggen voor nog een Songbird, maak ik er nog maar eentje.

Eentje die (nog maar eens) getuigt van de zwerfdrang. Het ramblin’ syndrome, zo u wil.
Mijn liefde voor Something Corporate dateert van zo’n 10 jaar geleden – het cliché dat de bands uit je puberteit je tekenen voor de rest van je leven, klopt meer dan eens wat mij betreft – en de leadzanger is intussen twee projecten verder, maar hun optreden op Werchter is nog steeds één van de beste concerten die ik ooit zag. Naar het schijnt springt Andrew McMahon nog steeds even levendig op zijn piano en ik hoop dat nog eens te kunnen aanschouwen, maar dat zien we later wel. Tot dan laaf ik mij aan alles wat Something Corporate te bieden heeft (en occasioneel ook wel aan die andere projecten van de zanger), maar vooral aan I Woke Up In A Car.

I’ve never been so lost, I’ve never felt so much at home
Please write my folks and throw away my keys
I woke up in a car

I met a girl who kept tattoos for homes that she had loved
If I were her I’d paint my body until all my skin was gone

(Play. Rewind. Play.) maal, u kunt het raden, duizend en zelfs een miljoen.

Learning how to love me, pt. XXXIII

Learning how to love me, pt. XXXIII

 

Songbird pt. VIII

Drie voor de prijs van één. Misschien een beetje omdat ik al zo lang over tijd ben om nog eens een blogje te posten (masterproeven, vakantie en verwerken van de resultaten en de gevolgen daarvan, so please forgive me for my absence). Meer nog omdat ik gewoon niet kan kiezen, eigenlijk. Pearl Jam is een geweldige band. De hoogdagen van grunge waren al voorbij toen ik ze leerde kennen, wat misschien tot voordeel heeft dat ik me niet echt een tijd kan herinneren dat ik Pearl Jam niet op de radio hoorde. Het voordeel aan Pearl Jam is ook dat ze redelijk ongehavend grunge overleefd hebben en zichzelf hebben weten te handhaven door de jaren heen. Ik heb ze niet altijd zo geweldig gevonden, dat bewustzijn is maar beginnen groeien toen ik een jaar of 15-16 was (niet voor niets mijn persoonlijke grunge heydays). Sindsdien alleen maar groter geworden, samen met een aan eindeloos grenzend respect voor de band. Ooit maak ik een citytrip met deze of gene om ze eens in een zaal te zien optreden. Sinds ze weer op festivals optreden (en dat valt zo ongeveer samen met de tijd dat mijn ouders mij naar festivals lieten gaan), lijken ze in België altijd Werchter te doen. Ik heb ze al een keer of twee gezien daar, maar steeds stak er iets mij een stokje in de wielen, wat mij weerhield van optimaal te genieten. Optredens in zalen zijn zoveel leuker, soms (zelfs al zijn ze megagroot). Dus: ooit komt dat moment.

Black. Want naast Alive één van de eerste Pearl Jam songs die voor altijd is blijven hangen.

Wel hierom:

I know someday you’ll have a beautiful life
I know you’ll be a star in somebody else’s sky
But why, why, why can’t it be, can’t it be mine

Ik spoel terug (vroeger ook echt met een casette), desnoods duizend of een miljoen keer, voor dat ene zinnetje, bijna aan het einde van het liedje. Zoals nu, terwijl ik schrijf. Dat akoestisch, en ik smelt.

Yellow Ledbetter dan. Niet zozeer de tekst, buiten dat ene zinnetje:

I don’t know whether I was the boxer or the bag

Maar de emotie die eruit spreekt. Iets nostalgisch. Iets troostend. Wel duizend keer opnieuw, maar dat kan ik niet elke keer herhalen. Een hoopje gesmolten ik, meer blijft er niet over.

Just Breathe. Uit een dichter tijdperk, maar daarom niet minder goed. De kracht van Pearl Jam bestaat er net uit dat ze van die songs blijven maken. Het stemgeluid van Eddie Vedder en zijn kenmerkende oohs en uuhs en aahs boeten nog steeds niet aan kracht in, wat mij betreft.

Zet je neer en luister en smelt (duizend en zelfs een miljoen keer opnieuw 😉 ).

Oh, I’m a lucky man, to count on both hands the ones I love
Some folks just got one, yeah, others, they got none, huh-uh
Stay with me… Let’s just breathe

En daarmee (en nog een Learning how to love me, ik heb wat in te halen) laat ik jullie.

Learning how to love me, pt. XXXII

Learning how to love me, pt. XXXII

Guilty pleasures

Nu we toch bezig zijn. Er bestond al lang geen twijfel meer over hoe ik telkens opnieuw als een blok val voor all things Spanish. Enrique hier is daar geen uitzondering op – net als Shakira was hij ooit de perfecte easy listening om mijn Spaanse kennis wat op te krikken. Sindsdien altijd een guilty pleasure gebleven. Maar ik laat er mij zelden of nooit op betrappen ook in het Engels te luisteren – de liedjes die ik graag hoor zijn van zulk beggybeggy niveau dat ze alleen in het Spaans acceptabel zijn. Ik kan dat niet verklaren, maar ik heb een hoger tolerantieniveau voor dat soort dingen in het Spaans. Wat zeg ik, ik smelt gewoon waar ik als rechtgeaarde rock-aficionada gillend zou weglopen mocht ik hetzelfde horen in het Nederlands en/of Engels. Versta mij niet verkeerd, ook in het Spaans (en het Portugees) heb ik mijn grenzen – zo heb ik het nog steeds niet voor Iglesias Sr, bijvoorbeeld. Of Alejandro Sanz, om maar iets te zeggen. De grenzen liggen gewoon wat verder. Kan ik er aan doen dat ik dat simpelweg zo’n schone taal(en) vind? J’assume.

Conclusie: Spaans kan ik al niet weerstaan, maar gooi er nog eens Portugees bovenop en ik smelt helemaal. Het croonergehalte ten spijt, maar wanneer er sprake is van portunhol kan er helemaal niets meer baten. Deze zomer dus ook wel te horen door het open raam van mijn auto – ook dat wordt hier een constante.

Learning how to love me, pt. XXX

Learning how to love me, pt. XXX

Kleine update III

Voor zij die er nog steeds een WK-kater op zouden nahouden: geniet van Neymar die even opduikt. 😉 En nu voor echt: omdat het niet altijd Michel Telo moet zijn. En ik van dit liedje ook instant vrolijk word, zelfs al slaat de tekst op even weinig als die van Michel Telo. Omdat ik er – uiteraard – een even duivels plezier in vind dit door de speakers van mijn auto te knallen. En het Portugees (taal) is en Braziliaans (land), dat hoeft niet eens meer gezegd.

Learning how to love me, pt. XXIX

Learning how to love me, pt. XXIX