Déclaration d’amour, pt. I: le monde appartient aux langues

Ik weet niet goed hoe het komt, maar ik hou van talen. Veel. Zo veel, dat ik me geen leven meer kan voorstellen waarin ik niet op de een of andere manier een taalbad kan nemen. Op het eerste zicht zou ik kunnen zeggen dat het ooit anders is geweest. Ik had een absolute bloedhekel aan het vak Frans op de middelbare school. Nederlands was al niet veel beter. Aan Duits ontsnapte ik, en dat was -toen- tot mijn grote vreugde. Alleen Engels kon ermee door. Maar schijn bedriegt.

Ik moet het toegeven: ik ging niet zo graag naar school. De inhoud van de lessen kon mij doorgaans gestolen worden. Slechts een handvol leraren is door die muur geraasd, maar dat lag -bij nader inzien-  meer aan mij dan aan hen. Mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa. Niets kon me boeien en de enkele leraar die me ooit “apatisch” noemde, zat er op dat moment waarschijnlijk niet zo heel ver af. Ik ging naar school omdat ik moest, maar bracht mijn tijd liever al dromend of al cd-boekjes lezend door. Dat ging redelijk vlot, omdat de meeste leraren ons plaatsen in alfabetische volgorde en ik meestal vanachter in de klas eindigde -geen plaats beter om aan de prangende blik der leerkracht te ontsnappen.
Hoewel ik altijd Latijn gevolgd heb, deed ik ook wiskunde. Als ik helemaal zelf had mogen kiezen, dan had ik na het vierde middelbaar wiskunde laten vallen en was ik in Latijn-Moderne talen terecht gekomen. Dat zou meer uit afkeer van wiskunde geweest zijn dan uit liefde voor die talen. Maar mijn ouders chanteerden me onverbiddelijk. Mama besloot resoluut dat ik de Franstalige scouts -waarmee ik net dat jaar zou stoppen- niet mocht laten vallen als ik voor moderne talen koos, het zou immers een goede oefening zijn. Ook papa wist een gevoelige snaar te raken: koos ik toch voor Latijn-Wiskunde, dan zou hij me een concertje betalen (hallo? Music was my first love!). Dat klinkt allemaal tamelijk meedogenloos, maar ook hier: schijn bedriegt. Eigenlijk ben ik ze erg dankbaar voor hun kordate optreden. Ik had immers niet het flauwste benul van wat ik later zou gaan studeren, en Latijn-Wiskunde bood nu eenmaal de meest uitgebalanceerde basis. Mijn ouders waren van mening dat -met het zicht op mogelijk statistische vakken in het hogere onderwijs- ik beter voorbereid zou zijn met het wekelijkse programma van zes uur wiskunde (tegenover slechts drie uur in moderne talen). Ze hadden gelijk. Statistiek en economie werden in mijn voortgezette studiecarrière geen hoogvliegers, maar ik ben ervan overtuigd dat het zonder die zes uur wiskunde nog veel erger had geweest. Bovendien was Latijn stiekem mijn lievelingsvak. Geen haar op mijn hoofd dat er aan dacht om, na vier jaar zwoegen op grammatica en woordenschat, dat vak op te geven. En al het leuke mislopen, zeker? Ik dacht het niet. Eindelijk zouden we de volgende twee jaar gewoon teksten gaan vertalen! Hoezee! Toevallig bood Latijn-Wiskunde ook zes uur Latijn, terwijl dat in Latijn-Moderne talen maar 4 uur was (ten voordele van 2 uur Duits). Ik moet toegeven dat ik het ergens wel schandalig vind dat we Duits zo konden omzeilen op school -als derde officiële landstaal zou het toch verplicht leervoer moeten zijn? Ik weet niet of Latijn-Wiskunde ook volgens die redenering de beste oplossing was, maar op dat precieze moment in mijn leven geloof ik van wel. Duits kon me toen gestolen worden (nu schaam ik me er wel een beetje voor dat ik niet eens onze drie landstalen spreek), en ik kon wel een compensatie gebruiken voor al die wiskunde . Ik zei het al: ik ging niet zo graag naar school, maar stiekem was Latijn mijn lievelingsvak. Ik zag het zo: zes uur wiskunde, dat was zes uur een absolute hel. Maar er stond iets tegenover: zes uur Latijn, absolute hemel van mijn schoolbestaan.

Samenvattend (want anders blijf ik afwijken): het aantal uren wiskunde/wetenschappen, talen en algemene vakken, was in de richting die ik volgde redelijk evenwichtig verdeeld. Ik ging niet graag naar school en geen enkel vak kon mij absoluut begeesteren, al zeker niet de talen (Latijn was de uitzondering die de regel bevestigt). Maar schijn bedriegt, zei ik toch?  Latijnse teksten vertalen waren het absolute hoogtepunt van mijn schoolweek (al maakte ik veel fouten en had ik er een hekel aan om uit te vissen welke woorden nominatief, accusatief, genitief, datief en/of ablatief waren en waarom ze dat waren). Engels leerde ik gemakkelijk en graag (vooral zelf -door naar muziek te luisteren). Al hield ik niet zo van Frans (veel had te maken met een paar rotte appels die ik ben tegengekomen -en dat zijn niet de leraren, zoals ik al zei, dat ze mij hun liefde voor de taal niet konden overbrengen, lag aan mij), toen ik de middelbare school officieel achter me liet, overviel mij tegen alle verwachtingen in een heuse golf van liefde voor de Franse taal -of voor een paar Franse groepen, in ieder geval: Frans leek ineens zo erg niet meer. Hoewel het nu anders aanvoelt, moet ik toen echt al van talen gehouden hebben: ik moest kiezen wat ik zou studeren en twijfelde tussen Communicatiewetenschappen en Vertaler/Tolk. Ik koos toch maar voor het eerste (dat was een breder studiegebied), maar vulde mijn keuzevakken meteen op met Engels. Toen ik drie jaar later moest zitten blijven en extra tijd had op te vullen, koos ik resoluut voor Spaans. Er bestond al snel geen twijfel meer over: ik moest en ik zou mijn communicatiewetenschappen toch maar aan vullen met een Master Vertalen, en wel direct. De twee richtingen gelijktijdig combineren was geen al te beste beslissing, maar ik ben koppig. Ik mocht (moest) twee talen kiezen. Engels sprak ik al en Duits schuwde ik nog steeds, dus ondanks mijn haat-liefde verhouding met het Frans, zou dat mijn eerste taal worden. Professioneel nooit een slechte keuze: een goede kennis van de tweede landstaal is altijd mooi meegenomen. En natuurlijk: Spaans, de taal waar ik misschien wel het meeste van hou.  Een keuzevak bombardeerde Portugees tot derde taal. Ondertussen zijn talen een volwaardig deel van mezelf geworden (en van mijn computer -zo getuigen alle digitale woordenboeken daar aanwezig). Ik maak fouten, maar ik spreek Nederlands, Frans (al blijf ik er eeuwig mee worstelen), Engels, Spaans en een mondjevol Portugees. Ik ben mijn talen niet trouw: ik hou van elk van hen, maar het liefst van allemaal voeg ik aan dat lijstje zo nog tien talen toe. Duits, Italiaans en Noors om te beginnen. Ja, ik “veroordeel” mezelf om tot aan het einde der tijden talen te leren. Want zonder kan ik me geen leven inbeelden. Ze geven me elk een andere kijk op de realiteit. En zonder al die vensters op de wereld leef ik maar half.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s