Music, Maestro! Pt. I

Ik herinner me de tijd dat ik op de eerste bladzijde van m’n schoolagenda (een officieel document, na afloop van elk schooljaar netjes opgehaald door de directie -ze moeten daar, bij nader inzien, nogal wat gedacht hebben bij het openslaan van mijn agenda’s) schreef: “These Days will always bring me home, no matter how far I am”. Ik zat in het tweede middelbaar, en Bon Jovi was DE groep van mijn dromen, These Days mijn lievelingsplaat.

Ik had toen al een zekere muzikale weg afgelegd. Ik herinner me m’n eerste lievelingsliedje, toen ik een jaar of vijf was. Elke keer kweelde ik enthousiast het refrein van Nah Neh Nah van Vaya Con Dios mee  (toen kon dat nog, als +25-jarige zonder enig zangtalent ligt dat iets moeilijker). Ik herinner me ook de teleurstelling toen ik, goddeloos wezen als ik was, er vele jaren later achter kwam dat Vaya Con Dios gewoon “Ga met God” betekent in het Spaans (mijn liefde voor die taal is echter nog steeds niet bekoeld). Natuurlijk had ik op die leeftijd ook cd’s vol Sinterklaasliedjes en Samson en Gert-songs. Een paar jaar later gooide ik de liefde voor muziek over een heel andere boeg: mijn allereerste cd’tje dat ik min of meer bewust wou hebben, was een singletje van Milk Inc. Ik was een jaar of twaalf en kon niet genoeg krijgen van Losing Love. Ik herinner me dat, waarschijnlijk dat zelfde jaar, ik het hele album van Milk Inc. wou. Tot afgrijzen van m’n vader en zus, die desondanks (met succes) heel Brussel afschuimden met maar één doel: Apocalypse Now vinden.

Maar terug naar Bon Jovi. Toen ik dertien was, vonden zij de tijd rijp voor een comeback. En wat voor één! It’s My Life domineerde die zomer de hitlijsten en ik viel als een blok (wat u verder ook denkt van Bon Jovi, het valt haast niet te ontkennen dat die mannen hun hand niet omdraaien voor een supercatchy tune meer of minder). Mijn fandom van de groep was nog steeds tot grote ergernis van m’n zus, en hoe dieper ik in het Bon Jovi universum wegzakte, ook tot die van m’n papa. Bongoli, werden ze door papa en zus liefkozend genoemd. Mama vond veel commentaar niet zo nodig. Tot ik een heuse cd-collectie begon (al dan niet in het geheim), want in tegenstelling tot mezelf vond mama een uitgebreide collectie geen absolute noodzaak. En in tegenstelling tot papa vond ik het nodig alle cd’s van een groep te verzamelen.  Crush, de cd waar It’s My Life op stond, wist ik via een klasgenoot van m’n zus te kopiëren op tape. Die keuze lag voor de hand: draagbare mp3-spelers waren nog niet populair, ik kon nog geen cd’s branden (en had toch geen Discman, want die was van m’n zus), maar ik had wel een Walkman (dank u, meter!). Mijn zus had vast haar beklag gedaan bij haar klasgenoten over die vermaledijde zus van haar die enkel maar It’s My Life luisterde (op cassette, van de radio opgenomen). En in de plaats van begrip, kreeg ze dus Crush in haar handen gestopt. Vervolgens platgedraaid op mijn draagbare stereo (een Grundig, toendertijd mijn dierbaarste bezit). Al snel ging ik in hamster-mode: ik moest en ik zou andere muziek van Bon Jovi bezitten. De eerste cd die ik zelf kocht, was Cross Road (van Bon Jovi, u raadt het goed). Nog geen week later volgde hun live-album One Wild Night (in het geniep). En nog niet zo heel veel later liep ik opnieuw naar de winkelvoor  7800° Fahrenheit, de eerste cd die ik kocht met mijn eigen bankkaart (die was nog gloednieuw, toen). Dat was waarschijnlijk ook de eerste en een van de weinige keren dat ik me liet betrappen op in het geheim cd’s aanschaffen: ik was nog niet meerderjarig, en papa kon mijn verrichtingen per computer volgen. Sindsdien heb ik, tot ik het alleenrecht had over mijn rekeningen, al mijn cd’s contant betaald.

Mijn muzikale smaak ontwikkelde zich geleidelijk en mijn cd-collectie groeide mee. Zoals u al kan raden, had ik een heus omloopsysteem: cd’s die ik had gekocht met medeweten van mijn gezinsleden, en de cd’s die het daglicht niet mochten zien. Die laatste groep was ongetwijfeld de meest omvangrijke, en naargelang ik ze “in legale omloop” bracht, kreeg ik van mama te horen dat het toch allemaal zinloos was. “Over 10 jaar luister je daar niet meer naar!” was haar onweerlegbare argument. Voor een aanzienlijk aandeel van mijn collectie is die tijd intussen verstreken. Over sommige compact discs had ze vast gelijk, maar wanneer ik nu een cd opzet waarvan ik vermoed dat die 10 jaar zijn verstreken, roep ik triomfantelijk, “Mama, zie je wel, na 10 jaar luister ik er nog altijd naar!” Er bestaat inmiddels geen twijfel over dat Bon Jovi regelmatig in mijn playlists zal blijven opduiken (al volg ik ze helemaal niet actief meer en zijn de tijden dat zij in mijn ogen de allerbeste waren, al lang verstreken). Ik heb Bon Jovi zoveel door de speakers laten knallen, dat mijn gezinsleden stuk voor stuk zijn bijgedraaid. Papa vond ze waarschijnlijk niets in vergelijking met mijn latere, zoveel traumatischere, exploraties van “varkensgekeel” -dixit papa- en mama vindt ze intussen best te pruimen. Mijn zus gaf laatst zelfs toe dat ze uit nostalgie stiekem mee kweelt wanneer Bon Jovi in de auto op de radio passeert. Van mijn sympathieke schoonbroer kwam ik te weten dat hij Bon Jovi nooit slecht vond. En hun dochter? Die swingt vrolijk mee met haar mama vanuit haar autostoeltje.

Advertenties